Artefiction / E info@artefiction.nl / KvK 63751593 / © 2019 Artefiction

Het vuur is heel heet. Juna heeft zweetdruppeltjes op haar voorhoofd. Eentje ervan loopt naar beneden over het puntje van haar neus. Het kriebelt. Maar Juna heeft geen hand vrij om te krabben. Ze mag niet stoppen met duwen op de twee leren zakken die naast haar op de grond liggen. Op en neer gaan haar armen, steeds maar weer.

Juna heeft papa al vaker geholpen met de blaasbalg. Iedere keer als ze duwt, gaat er lucht door een koker naar het vuur. Dat maakt het zo heet. Maar dat moet ook wel. In een potje dat papa op het vuur heeft gezet, zitten brokjes koper en tin. Als Juna hard werkt, wordt het vuur zo heet dat de brokjes smelten.

‘Goed zo,’ zegt papa. ‘Je mag stoppen. Het brons is klaar!’

Nu gaat het gebeuren! Papa heeft de mal al klaargezet. Het lijkt op een lang blok van klei, maar Juna weet dat het blok hol is van binnen. Hol in de vorm van een zwaard.

Papa tilt het potje uit het vuur met een tang van verse twijgen.

‘En nu goed opletten!’ zegt hij.

Heel voorzichtig giet papa het brons in een gaatje boven in de mal. Het brons is zo heet, dat het zelf wel op vuur lijkt. Er schieten zelfs vlammen uit de mal! Papa giet door tot er niets meer in het gaatje past. Bovenop ligt een plasje brons, dat al snel niet meer fel oranje is, maar grijs. Zou het zwaard gelukt zijn?

‘Nog even geduld,’ zegt papa. ‘Het brons moet goed afkoelen. Pak jij de emmer met water maar alvast.’

(250)

01

02

Mama zit in huis, op de grond naast het vuur. Mik gaat naast haar zitten, maar ze is zo druk dat ze het niet merkt. Ze heeft een pot op schoot. De klei is nog een beetje zacht. Maar niet lang meer, weet Mik. Hij heeft al gezien dat papa buiten het vuur in de kuil heeft aangestoken. Daar gaan de potten straks in. En dan worden ze hard.

Mama’s ogen lijken wel kleine spleetjes, zo aandachtig staart ze naar de pot. Het puntje van haar tong steekt tussen haar lippen door. Met een stokje krast ze golven in de klei, mooie golven die de hele pot rondgaan.

Maar plotseling roept ze een woord dat Mik haar nog nooit eerder heeft horen roepen. Ze klinkt boos. En ze gooit het stokje weg.

‘Wat is er, mama?’ vraagt Mik. Hij is wel een beetje bang.

‘Mik!’ roept mama uit. ‘Ik had je niet gezien. Er is niets aan de hand. Kom maar.’

Mik loopt naar haar toe. Ze aait over zijn hoofd en tilt de pot op.

‘Ik maakte een fout. Daarom was ik zo boos. Kijk maar.’

Mama wijst naar de pot. Nu ziet Mik het ook. Het begin van de golf sluit niet aan op het eind van de golf, maar net een stukje erboven. Mik steekt zijn vinger uit naar de klei. Die voelt heel glad.

‘Ik vind hem mooi,’ zegt hij.

Mama glimlacht. ‘Dan mag jij hem straks in de kuil zetten.’

(250)

03

Bor  is boos. Hij stampt door het bos en schopt met opzet lekker hard door de bladeren. Vogels vliegen voor hem weg en hij ziet zelfs een haas rennen. Dat zal ze leren! Die stomme jongens. Bor is heus wel oud genoeg om mee te gaan jagen. Maar ze lachen hem alleen maar uit.

Plotseling hoort Bor voetstappen achter zich. Hij draait snel om. Het is Mos, zijn grote broer.

‘Wacht even, Bor!’roept hij.

Bor heeft eigenlijk geen zin om te wachten, maar hij doet het toch.

‘Wat is er?’ vraagt Mos als hij bij Bor is. Hij hijgt een beetje van het rennen.

‘Ik mocht weer niet mee op jacht!’ roept Bor. Hij kan zijn tranen nog net op tijd tegenhouden.

Maar Mos moet een beetje lachen. ‘Er is nog genoeg tijd om te jagen als je ouder bent. Kom maar mee, ik heb iets voor je.’

Eigenlijk is Bor een beetje boos op Mos. Maar toch is hij nieuwsgierig. Hij loopt met Mos mee terug naar het kamp.

‘Wacht hier,’ zegt Mos en hij verdwijnt onder het afdak van twijgen en bladeren waar ze altijd onder slapen. Al snel is Mos weer terug. Hij houdt iets achter zijn rug.

‘Wat is het dan?’ vraagt Bor.

Met een grote grijns haalt Mos zijn handen tevoorschijn. ‘Voor jou!’

In de ene hand houdt Mos een kleine boog vast. In de andere hand een pijl.

‘Echt waar?’ roept Bor blij. Hij strekt zijn armen uit naar de pijl en boog.

‘Echt waar,’ zegt Mos. ‘Zelf gemaakt.’

De boog is heel mooi glad en niet zo zwaar. De pijlpunt is klein en smal, maar wel heel scherp!

‘Ga eerst maar eens goed oefenen,’ zegt Mos en hij woelt met zijn hand door Bors haar. ‘Voor je het weet, ben jij de beste jager van de stam!’

(300)