Artefiction / E info@artefiction.nl / KvK 63751593 / © 2019 Artefiction

‘Let op!’

Maar de waarschuwing van zijn broertje, die al de hele tijd toekijkt, is net te laat. De stok raakt Tir op zijn schouder. Hard.

‘Au!’

Tir grijpt naar de zere plek en laat zijn eigen stok vallen. De man tegenover hem lacht.

‘Hup, daar gaat je arm,’ zegt hij. ‘Het is lastig vechten met één arm.’

Hij bukt, raapt de stok op en geeft hem terug aan Tir. ‘Maar je bent wel vooruit gegaan sinds de vorige keer.’

‘Ja, het duurde nu wel drie tellen voordat je je arm verloor!’ roept Tirs broertje lachend.

‘Hou je kop!’ roept Tir terug.

 Zijn leraar slaat hem op de schouder. ‘Kom, we gaan naar huis. Het is weer mooi geweest.’

Het laaghangende, rieten dak van de boerderij stoomt in de warme zon. Gisteren heeft het hard geregend.

Zodra ze het erf op lopen, rent Tirs broertje het huis in. Zeker om vader en moeder te vertellen hoe Tir er vandaag weer eens niets van kon. Zou het ooit lukken? Zou hij ooit echt met een zwaard kunnen vechten? Tir kijkt omhoog naar de man naast hem.

‘Je doet het echt niet zo slecht,’ zegt die. ‘Maar als je tijdens het vechten ergens anders aan denkt, gaat het mis. Misschien moeten we eens met echte zwaarden oefenen. Dan let je vast beter op. Hier, houd maar eens vast.’

Tirs leraar trekt zijn zwaard uit de schede en legt het in Tirs handen. Het is zwaarder dan hij had gedacht! De kling glimt zo mooi dat Tir zijn eigen gezicht erin kan zien, een smal jongensgezicht met een goudgele gloed. Hij pakt de houten greep beet en steekt het zwaard voor zich uit. Dan zwaait hij. Het is alsof het brons zelfs door het zonlicht heen snijdt, zo scherp is het. Hij zwaait nog eens, en nog eens, grote bogen, heen en weer. Hijgend laat Tir ten slotte de punt van het zwaard naar de grond zakken. Zijn arm doet pijn.

‘Dit wil ik wel,’ zegt hij. Hij geeft het zwaard terug aan zijn leraar.

‘Wacht maar tot je een hele dag hebt staan zwaaien,’ zegt die met een glimlach. ‘Maar goed dan. Volgende keer.’

(350)

01

02

‘Au!’

Line wappert met haar hand en stopt haar verbrande vinger in haar mond.

‘Stomme pot!’

Vader lacht. ‘Die pot kan er niets aan doen dat hij heet is. Niet zo ongeduldig!’

‘Is dat de mijne? Mag ik eens zien?’

‘Even wachten, Mik!’ zegt Line tegen haar kleine broertje. ‘Niet zo ongeduldig.’

Vader lacht nog een keer. ‘Zo, jij leert snel!’

Line raakt de pot voorzichtig nog een keer aan. Dat is al beter. Ze veegt de as en houtskool van de gebakken klei.  Is hij gelukt? Dit is de beste pot die ze tot nu toe heeft gemaakt. Als hij maar niet gebarsten is...

De pot is rood en zwart tegelijk, alsof de vlammen hun afdruk in de klei hebben achtergelaten. En ja, hij is nog heel! Maar hoe komen die lijnen daar?

‘Kijk Line, mama’s golven,’ zegt Mik, die over haar schouder meekijkt.

‘Wat? Het was míjn pot!’ roept Line en ze stormt het huis in, de pot onder haar arm geklemd.

‘Rustig, meisje, wat is er?’ vraagt moeder bezorgd.

‘Wat heb je met mijn pot gedaan? Hij was van mij!’

Moeder kijkt haar schuldig aan. ‘Het spijt me, Line. Ik wilde hem alleen maar mooi voor je maken. En het is niet eens gelukt.’

Line kijkt nog eens goed naar de pot. Een van de golven sluit niet goed aan. Het ziet er vreselijk uit. Alsof Mik het gedaan heeft! En plotseling moet ze lachen. Moeder kijkt verbaasd.

‘Je kunt er niets van!’ roept Line.

‘Je mag hem stukgooien,’ zegt moeder met een glimlach.

Line loopt naar haar toe en geeft haar een knuffel. Dan legt ze de pot in moeders handen.

‘Alsjeblieft,’ zegt Line. ‘Een cadeau. Dan onthoud je misschien dat je sommige dingen gewoon aan je dochter over moet laten!’

(300)

03

Het hert kijkt op, en Mos houdt zijn adem in. Hij is zo stil geweest, zo voorzichtig. Het kleinste geluidje kan het hert nu wegjagen. De boogpees snijdt in Mos’ vingers en zijn armen beginnen te trillen. Hij kan zijn boog niet heel lang meer gespannen houden.

Kom op, er is niets, ga maar verder met grazen, zegt hij in gedachten tegen het hert. Zweetdruppeltjes lopen van zijn voorhoofd langs zijn wenkbrauwen in zijn ogen. Het prikt.

Nog even kijkt het hert om zich heen. Zijn zachte oren bewegen zenuwachtig heen en weer. Maar uiteindelijk lokt toch het malse gras. Het dier buigt zijn kop en gaat verder met eten.

Nu! denkt Mos.

Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes en tuurt langs de pijl. Dan laat hij los. Even kan hij niets zien, en het lawaai van krakende takken en stampende hoeven vult zijn oren. Kleine vogeltjes schrikken kwetterend op uit de bomen om hem heen. Maar het hert heeft geen kreet geslaakt. Zou het echt waar zijn? Had hij gemist?

‘Barst!’

De open plek is leeg, het hert gevlucht. Zijn pijl steekt uit de zachte bosgrond omhoog. Boos trekt Mos de pijl uit de grond en kijkt ernaar. Het is een van zijn mooiste pijlpunten. Smal, slank en scherp.

Hij is wel heel gebleven, denkt hij, dat is dan tenminste nog iets.

Maar als Mos de pijl weer in de koker op zijn rug doet, hoort hij iets. Komt het hert terug? Iets in het bos beweegt langzaam, snuivend, zonder te proberen stil te zijn. Voorzichtig sluipt Mos naar de bosrand toe en gluurt langs de bomen.

‘Help!’ roept hij. Daarom is het hert dus weggerend! Het rook een beer!

Hij struikelt naar achteren terwijl de beer de open plek op komt. Zijn bruine vacht is vies en hij kwijlt uit zijn bek. Maar Mos weet wat hij moet doen. Hij schreeuwt en zwaait en gooit met takken.

‘Weg jij! Ga weg!’

Even schudt de beer met zijn enorme kop, alsof hij niet kan geloven dat daar echt een klein mensje staat. Hij gaat langzaam op zijn achterpoten staan en torent hoog boven Mos uit.

Blijven staan, niet wegrennen! houdt Mos zichzelf voor. Hij gaat door met schreeuwen en maakt zich zo groot mogelijk. Dan laat de beer zich weer op vier poten zakken. Hij kijkt nog één keer naar Mos en verdwijnt dan weer in het bos. Mos slaakt een diepe zucht. Het zit hem vandaag niet mee. Morgen gaat het vast beter.

(400)